Jan Roëde ( 1914 – 2007)
FANTASIE IN VOLLE VRIJHEID door Maaike Staffhorst Zijn allereerste tekeningen ontstonden uit verveling, maar zijn allerminst verveelde plaatjes. Op de lagere school voelde de in Groningen geboren Jan Roede (1914-2007) zich niet op zijn plaats. Stiekem tekenen onder de les was een veel interessanter tijdverdrijf. Op papier kon hij zijn fantasie kwijt. Wist hij verhalen mooier te maken dan ze zijn. Een tekenaar was geboren.
Na de Mulo volgde Roede, die zijn naam in de jaren veertig ‘verfranste’ tot Roëde en zich altijd zo zou blijven noemen, een opleiding tot tekenleraar. Dat bracht hem tot het vak van reclameontwerper en illustrator. In Den Haag, waar hij opgroeide, studeerde hij begin jaren dertig aan de Koninklijke Academie van Beeldende kunsten. Later zou hij ook verhalen en gedichten gaan schrijven en werken als glaskunstenaar en kostuumontwerper. In 1941 begon hij te schilderen en als schilder is hij bekend geworden. Hij ontwikkelde een eigen, wat naïeve stijl. Zijn simpele, kinderlijke beeldtaal combineerde hij met een warm, poëtisch kleurgebruik. Roëde beeldde zijn figuren af in speelse houdingen. Maar soms staan of zitten zijn mensfiguren juist heel verstild aan een tafel of in een landschap. Hoewel zijn werelden sterk tweedimensionaal zijn opgebouwd, krijgen ze door de opbouw van kleuren vaak iets ruimtelijks. Het streven naar ‘verlichting’, iets wat intuïtief, plotseling en zonder veel woorden kan worden bereikt, kwam voort uit de ontdekking van en zijn fascinatie voor het ZEN-Boeddhisme waar hij in 1943 mee in contact kwam. Wat hem hierin vooral aansprak? Zen sloot aan bij zijn opvattingen over denken, leren en het leven en dat gaf hem een bevrijdend gevoel.
De denkbeelden sloten ook goed aan bij de kunstenaars van Vrij Beelden, een kring rond een aantal Amsterdamse schilders waaronder Willy Boers. De fantasie stond bij hen centraal en ze experimenteerden in volle vrijheid met vormen en kleuren. De groep exposeerde in wisselende samenstelling tussen 1947 en 1954. Hoewel Roëde hun ideeën deelde, was hij geen groepsmens. Hij exposeerde wel een aantal malen met de groep, maar speelde geen actieve rol. Dezelfde onafhankelijke houding had hij ten opzichte van Cobra. Nadat Karel Appel en Corneille zijn werk op een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum hadden gezien, nodigden ze hem uit deel uit te maken van de Cobragroep. Maar Roëde bedankte voor de eer. Hij erkende de verwantschap in het werk, maar koos ervoor om onafhankelijk blijven. Regelmatig verbleef hij langdurig in het buitenland, waaronder in Frankrijk en in Zweden. Terug in Nederland vestigde hij zich weer in Den Haag waar het kunstklimaat levendig was en waar hij in Pulchri, de Haagse Kunstkring of De Posthoorn collega’s ontmoette. In 1956 opende de eigenaar van De Posthoorn in zijn café een galerieruimte. Hij vroeg de kunstenaars Jaap Nanninga, Willem Hussem en Jan Röede tentoonstellingen te maken en ook hun eigen werk te exposeren. De Posthoorngroep hield stand tot 1962.
Naast Klee, Miro, Picasso en Léger was ook Matisse een belangrijk voorbeeld voor Roëde. Alleen al omdat ook hij nooit iets deed wat hij zelf niet wilde. In interviews bevestigde Jan Roëde altijd dat hij nadrukkelijk solist heeft willen blijven, omdat het hem letterlijk de vrijheid gaf om te maken wat hij mooi vond.
ROĒDE OVER ROĒDE “Het is gewoon een truc: je neemt een atelier, 9 x 7 x 3,5 meter hoog, grote ramen op het noorden en aan de zuidkant een kleiner raam met een mooie kastanjeboom ervoor. Je zet er een bed in om op te liggen en zo, een paar kasten met boeken en een paar animeerflessen, wat schilderspullen en op een strategisch punt een zeer belangrijk instrument: een ligstoel.
Dan laat je je neer in die ligstoel, uiteraard niet eerder dan dat je de voeten in een paar touwschoentjes hebt gestoken en je blote bast in een witte overall. Zo af en toe kijk je eens naar de wand tegenover je waarop een stuk linnen is geprikt, mooi leeg, je hebt geen haast. ‘Alleen de proleet heeft haast’, zei Hans K. in een gezelschap van ‘heren’ die tegen elkaar opdeden over de snelheid waarmee ze door de mooie natuur raasden. Soms kijk je en wel met bijzonder plezier naar het enorme witte palet op pootjes waarop de kleuren volgens do re mi fa sol gerangschikt zijn. Je probeert niet te denken; denken als het niet hard nodig is, is schadelijk. Als het niet anders kan laat je de stroom van je gedachten maar rustig aan je voorbij trekken. Je forceert niets, stopt niets weg. Eerst komen een paar leuke vrouwen op, wier gedrag alle officieren van justitie zou nopen tot ingrijpen (vreemde beeldspraak), ongemoeid gaan ze af, hun uitdagende achterzijden zijn nog niet helemaal verdwenen of ze worden al opgevolgd door een hondgedachte die met Freud weer plaats maakt voor een vriendelijk vogeltje-gedachte, deze wordt bruusk afgebroken door Vietnam, Ionesco, het beste haarmiddel, reclame-jongens die iedereen over dezelfde debiele kam scheren, museum-avantgardistjes, dito pseudo-mathematicusjes die een rekenlat met commercie-drang op de plaats hebben zitten waar talent hoort, de 36 standen die je nog niet allemaal kent, de Six Principles van Hshieh Ho, die je wel allemaal kent, dan de keer dat je in ’48 wakker werd in een logeerkamer in Parijs waar een Estève hing, je ontdekking dat hij alles wat door de tekening van het schilderij op de voorgrond kwam een koele kleur gaf en de achtergrond en de andere wijkende vormen een warm ‘voilà’, een werkwijze waardoor je met kleur het vlak kon integreren. Het was in de lijn van Matisse hoewel deze ook gebruik maakte van grafische lijnen om iets uit de achtergrond naar voren te trekken.
Je schilderde met dit idee een half jaar zonder enig artistiek resultaat, je gaf het wanhopig op en het eerste schilderij, alleen op je intuïtie gemaakt, werd integraler dan ooit. Bonnard heeft gelijk: ‘Het is goed een stokpaardje te berijden, maar je moet niet denken dat het Pegasus is’. Langzamerhand wordt het stiller in je, je vindt jezelf terug starend op het doek, je sigaar is uitgegaan, gedachten zijn verdwenen, de Italianen spreken niet meer. Er is een verlangen, een verlangen naar een bepaalde kleur op een bepaalde toonhoogte, waarin je alles kunt plaatsen. Langzaam sta je op, je loopt naar je palet, je gaat aan het werk. Het is gewoon een truc.” In de serie ‘Haags Palet’ verschijnt deze maand deel 25, gewijd aan Jan Roëde:
Van 16 oktober t/m 14 november organiseert Museum Rijswijk een Een persoonlijke meditatie
Plato meende dat men met behulp van de ideeën, de archetypen waarnaar onze wereld is gemodelleerd, de wereld beter kan waarnemen en begrijpen. De moderne psychologie geeft hem gelijk. Slechts met behulp van stereotyperingen (en wat zijn stereotyperingen anders dan ideaalmodellen) is onze wereld waar te nemen en te begrijpen. Ook de playboy levert de jeugdige adolescent een instrumentarium om grotere rijkdom in de wereld te ontdekken dan hij voor mogelijk had gehouden. Immers het aanvankelijke schoonheidsideaal van de adolescent is over het algemeen beperkt. En nu worden hem talloze verschillende types ideaalmodellen aangeleverd.Opeens kan hij overal in de wereld vrouwen ontwaren die lijken op deze ideaalmodellen, natuurlijk niet zo mooi als het ideaalmodel, maar een imperfecte afschaduwing daarvan. Overal kan je door deze ideaalmodellen heen potentiële schoonheid in de werkelijkheid zien.
Maar wat de beeldhouwer uiteindelijk bedoelt, vertelt het beeld. Soms is het duidelijk. Ik herinner mij een beeld waar een vrouw zich uitkleedt. In dat beeld is het de schoonheid van het gebaar van het uitkleden. Zoals in de schilderkunst de Schreeuw niet gaat over een schreeuwend iemand maar over de Schreeuw. Sommigen die zich zijn Japanse vrouwen met staarten herinneren, weten hoe die staarten het dominerende thema werden. Maar meestal was wat in zijn werk uitgedrukt werd abstracter. Je moest het zien. Elk verbaal commentaar zou daar afbreuk aan doen. Heel soms herken ik in de niet sculpturale werkelijkheid zo'n abstract van Evert van Kooten Niekerk-trekje. Ik heb dan door één van zijn beelden heen een stukje van de werkelijkheid anders gezien. |